Bij de voorbereiding van mijn boek" Eer het vat in duigen valt" werden wij geconfronteerd met de benaming van de kuiperswerktuigen en handelingen van de kuiper.
Veel literatuur over het kuipersambacht was er niet voorhanden en werd er hier en daar toch eens iets over de kuiperij geschreven in een heemkundig tijdschrift, dan kon de auteur niets anders dan terugvallen op de dialectische woordenschat van zijn bron en gesprekspartner.
Aan onze noorderlijker buren hadden wij ook niet veel : wij hebben het nog moeilijk wanneer wij ze nu nog bezig horen over fusten (vaten)…
Veel hadden wij wel aan de studie van J.van Bakel, Het Kuipersvak in : Taal en Tongval en voornamelijk aan het werk van Prof.J.van Keymeulen e.a. Het Ambacht van de Kuiper en de Hoepelmaker in Het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten.

Het ontbreken van eenvormigheid in het taalgebruik komt voornamelijk door gebrek aan literatuur en opleiding. In Duitsland en Frankrijk werden er handleidingen uitgegeven en bestond er schoolopleiding. Bij ons ging het beroep over van vader op zoon en bleef het meestal in de familie.

Een bijkomende moeilijkheid was, dat heelwat gereedschap ontsproot aan de vindingrijkheid en ervaring van de plaatselijke kuiper. Hij zocht beter alaam om zijn werk wat lichter, efficiënter, veiliger te maken. Zo waren talrijke gereedschappen "home-made", dus beperkt gekend en kregen ze een toevallige naam.

Het gebruik van een bepaald alaam ging ook samen met de aard van het product dat de kuiper voor ogen had. Een haringvat stelde bv. minder technische eisen dan een wijnvat en het gebruikte gereedschap was dan ook anders. Het lag dus voor de hand dat een bepaald gereedschap in Frankrijk was gekend, maar niet in Vlaanderen of Nederland.

Alhoewel het kuipersvak voor een ruime inbreng heeft gezorgd in ons Nederlands taaleigen – denk maar aan de talrijke gezegden, zegswijzen,vergelijkingen met vat en ton- dreigen met het verdwijnen van het broep ook een deel van een specifieke taalschat verloren te gaan : wat zegt ons nog pegelen, een vat aanslaan, het vangen van een vat, enz.?

Meer dan honderd specifieke kuipersgereedschappen krijgen in dit werk hun technische fiche, hun benaming in vier talen en hun literatuurlijst.

Dit moet zeker een welgekomen gids worden voor museummedewerkers en andere liefhebbers van ambachtsgereedschap.

Erik Waelput

              

 

INHOUD CATALOOG KUIPERSGEREEDSCHAP

Hoofdstuk1. VAN BOOM TOT DUIG

Nadat de boom in rondelingen ( deel van de boomstam op lengte van de duigen) is gezaagd worden deze segmenten in kwartieren gedeeld met behulp van wiggen of kloofijzers en een kloofhamer.
Verdere verdeling van de kwartieren gebeurt dan met de kloofbijl en het splijtmes. De zo bekomen driehoekige stukken worden verder bewerkt met een kloofmes of een kuipersbijl om een eerste vorm te geven aan de toekomstige duig. Dit werk voert men uit  met behulp van een kloofladder of op een werkblok.
Voor hout dat mocht gezaagd worden, gebruikte men een trek- of een raamzaag om de boom in planken te zagen.
De verdere bewerking van de duigen gebeurt op het kuiperspaard  met het steekmes en het haalmes.
De definitieve vorm krijgen de duigen op de voegbank. Met behulp van de voeg- en fatsoenmal meet de kuiper de juiste vorm van de duigen na. Hij kan hier ook de proportiepasser gebruiken.
Minder handig maar bruikbaar voor kleiner kuipwerk is de bolle en holle schaaf  om de duigen hun vorm te geven.
Voor groot-kuipwerk kan men de binnenzijde van de duigen bewerken met de pikdissel.
   

voegbank

F. colombe
E. jointer
D. Fugebank

 

Voor onze Noorderburen blijft voegen nog altijd " strijken" vandaar ook strijkbank.
Omdat dit werktuig in hoofdzaak gebruikt wordt om de zijkanten (voegen) van de duigen en de bodemstukken te schaven is het aangewezen  te spreken over een voegbank.
De voegbank is een grote reischaaf van 1,5 m tot 3 m lengte met de zool omgekeerd en  naar boven  gericht. De balk steunt met één kant op een schraag of tonnetje en heeft geen poten. Een ander model (a)
steunt langs de ene kant op de grond en heeft langs de andere kant  twee poten. Nog een ander model (b) steunt op vier poten met dwarsstukken verbonden en staat horizontaal.
In de balk, van stevig hout, is er in het midden -wanneer de kuiper recht achter de voegbank staat - of 2/3 naar achter, wanneer hij zittend werkt - een opening (huis) dwars door de balk in de breedte, rechthoekig en zeer smal, in de lengte verbredend naar onder toe om gemakkelijker de houtkrullen te verwijderen. Deze opening moet dienen om de schaafbeitel in te brengen die met een wig of spie wordt vastgezet. De vouw van de beitel is naar boven gericht. De breedte en de lengte van de schaafbeitel staan in verhouding tot de afmetingen van de balk. Ook hier moet  het inbrengen van de schaafbeitel nauwkeurig gebeuren: evenwijdig met het bovengedeelte van de balk, nauwelijks boven de zool uitkomend. Hoe fijner de afregeling, hoe fijner schaafwerk. Bepaalde voegbanken hadden twee schaafbeitels op enige, evenwijdige afstand van elkaar.
Het losmaken of vastzetten van de schaafbeitels gebeurt op identieke manier als bij een gewone blokschaaf: men klopt op de kop om de beitel te lossen, op de wig om hem vast te zetten.
Om het oppervlak van de balk glad te maken gebruikte men vers spek van het varken of de pezerik:  de uitgesneden roede van een varken…
De voegbank  werd reeds afgebeeld op Middeleeuwse gravures.

Jointer ( KILBY )
Schaafbank  ( VAN KEYMEULEN )
Strijkbank ( NIJHOF )
Voegbank ( MARCELIS  )
Fügebank ( VOIGT – SCHMIDT )
Colombe ( RENARD – HIERET – MAIGNE – TARANSAUD – BRUNET – FOUGEROUX )
Colombe ou Planche à joindre ( LAGRANGE )

Hoofdstuk 2. HET VANGEN VAN EEN VAT

Nadat de duigen allemaal op de juiste lengte zijn gebracht met de afkortzaag, zet de kuiper de duigen in een duigenkrans. De eerste duig(en) zet hij vast met een knijper en om uit te meten hoe breed de laatste duig moet zijn kan hij gebruikmaken van een kaliberpasser.
Met enkele slagbanden wordt de duigenkrans verstevigd en met een klemhaak kan hij de duigen die te hoog of te laag zitten op hun juiste plaats brengen.
Om de duigen te buigen moet men gebruikmaken van water en vuur.
De duigen worden nat gemaakt met een dweilstok terwijl men in de duigenkrans vuurtje stookt in een vuurrooster.
Door het samentrekken van de duigen met een vijzel of windas en het aanbrengen van verschillende maten van slagbanden (" de dans der banden" ) met drijverzet- en drijfhamer worden de duigen gebogen en samen geduwd en is het vat " gevangen".

   

  drijver

F. chasse
E. hoop driver
D.Treibholz

 

Dient  om de banden (hoepels) naar beneden te drijven bij het samenbrengen van de duigen. Op de drijver wordt geklopt met een ijzeren/houten drijfhamer.
We kunnen de verschillende modellen onder 3 types indelen :
a. de drijver volledig uit hard hout. Hij wordt gemaakt uit een stuk duighout of ook uit een rondhout. Het onderdeel heeft een holronde zijde en onderaan soms een groef die past op de ronding van de hoepel. Het middendeel is versmald en rondgezet om als handgreep te dienen. Het bovenstuk waarop met de hamer wordt geklopt, is afgevlakt
b. bij de metalen drijvers die volledig ui t massief zijn, is het onderste gedeelte dat op de band wordt gezet ook rond en loopt via een hals uit op een handgreep. In oorsprong was de metalen drijver in de vorm van een wig.
c.de meest gebruikte drijver is deze met een metalen voet en een houten handgreep. De voet is van gesmeed staal,  heeft een trapeziumvorm en  bij het uiteinde een groef om de drijver beter op de band te kunnen houden.
De voet zit met een angel in een ronde houten hecht die dan boven en onder versterkt en beschermd wordt door beslagringen.

Drijver (VAN KEYMEULEN)
Drevel (MARCELIS)
Kuiperszet (NIJHOF)
Hoepeldrijver (MOT)
Handzet (VAN DER VLIS)
Driver (KILBY)
Bent driver - Straight driver – Hoop driver (SALAMAN)
Coin à chasser (HIERET)
Chasse (RENARD – TARANSAUD – BRUNET – LAGRANGE)
Chassoir (MAIGNE – FOUGEROUX)
Treibholz (SCHMIDT)

Hoofdstuk 3. DE BINNENAFWERKING

Na het vangen wordt het vat op een werkstoel geplaatst om gemakkelijker een aantal bewerkingen te kunnen uitvoeren.
Met de bolle boogschaaf en het schraapstaal wordt de binnenwand effen gezet. Voor kleiner kuipwerk kan men hiervoor het trekmes en het staarttrekmes gebruiken. Om restanten tussen de duigenvoegen  bij gebruikte vaten te verwijderen heeft men de steelschraper.
Om zo weinig mogelijk raakvlak te hebben tussen duig en grond wordt er met de dissel een naar binnengerichte schuine kant aan de koppen van de duigen aangebracht: de kim. Na het kimmen worden de duigen langs beide zijden bovenaan vlakgeschaafd met een kopschaaf.
Waar straks de groef voor de bodem zal komen, wordt vooraf een weinig hout weggenomen met de blaaischaaf, het  -mes of de –dissel. Nu kan men de kroosgroeve  aanbrengen met de kroosschaaf  of voor lichter werk met de stokkroos.
Voor herstelwerk met afzonderlijke duigen gebruikte men de krooszaag.

   

 blaaimes

F. plane à parer
E. jigger
D. Gerbeisen

 

In Nederland is de benaming foksmes nog algemeen gebruikt.
Het blaaimes moet dienen om een weinig hout van de duigenwand weg te nemen daar waar de kroos zal komen.
De kuiper gebruikt hiervoor ook de blaaischaaf of de blaaidissel  om het zich wat gemakkelijker te maken, want het hanteren van het blaaimes is niet eenvoudig.
Het blaaimes is een soort haalmes met langs één kant een verlenging van het mes en een staaf  die als handvat dient (a). Soms zit hierop ook wel eens een handvat  (b).Aan de andere zijde staat het handvat haaks op het mes zoals bij een gewoon haalmes. Iets meer naar de zijkant van het haaks handvat is het snijmes trapeziumvormig verbreed.
De kuiper neemt het haaks staand handvat met linkerhand, steekt het ijzeren handvat door het kuipwerk en neemt het via de andere zijde met de rechterhand vast. Nu drukt hij het mes met de bovenkant tegen de wand en beweegt met de andere hand het mes heen en weer om het hout weg te nemen. Deze gecoördineerde bewegingen zijn niet voor beginnelingen weggelegd.
Men gebruikt dit soort blaaimes alleen voor lichter en kleiner kuipwerk en daarbij moet men  ook nog beschikken over verschillende maten van dit gereedschap.

Jigger ( KILBY - SALAMAN )
Drawing knife ( SALAMAN )
Cooper’s crumming ( SALAMAN )
Blaaimes ( MARCELIS )
Schaafmes ( VAN KEYMEULEN )
Foksmes ( NIJHOF – VAN DER VLIS )
Plane à parer ( BRUNET – MAIGNE – RENARD )
Krummschneidmesser(SCHMIDT)

Hoofdstuk 4. GEEN VAT ZONDER BODEM

De rechte bodemstukken krijgen hun vorm met de reischaaf. De houten deuvels die men gebruikt voor het ineenzetten van de bodemstukken worden gemaakt met een deuvelijzer.
Eenmaal de bodemstukken aan elkaar, tekent men met de gewone passer, de stokpasser of ovaalpasser de bodemomtrek af. Met de boogspanzaag zaagt men dan de bodem uit. Wil men de bodemomtrek mooi rond zetten dan kan men een bolronde boogschaaf gebruiken. De bodemtand kan men aanbrengen met een steekmes, dissel of bodemtandschaaf.
Een eerste bodem in de kroosgroef brengen is niet zo ingewikkeld. Voor de tweede bodem op zijn plaats te brengen kan men gebruikmaken van een bodemtrekker, -houder, -ophaler, of – klopijzer.

 

Tussen kroos en bodem brengt men soms biezen aan om de dichtheid van het vat te verzekeren. Men maakt gebruik van een klauw- of biesijzer om de duigen achteruit te trekken en een stopmes om de biezen in de kroos te duwen.
Met de blok- of bodemschaaf wordt de bodem langs de buitenkant opgekuist.

   
reischaaf

F. varlope
E. Long plane
D. Rauhbank

In het Nederlands taalgebied is «  voorloper » veel voorkomend en Taransaud meent zelfs te weten dat " varlope " een verbastering zou zijn van het Nederlandse voorloper. Taalkundigen zouden er willen op wijzen dat het schaafwerk met de reischaaf … slechts voorlopig was. Het woord reischaaf wijst op het reien van hout: het vlak, haaks, van dikte en van breedte schaven van stukken hout.
Het schaafblok van de reischaaf heeft de vorm van een rechthoekige balk: 80 cm lengte, 7 à 8 cm breed en 10 à 11 cm hoog. Het heeft achteraan een handvat en vooraan soms een kleine steun. Sommige modellen hebben op de zijkanten –ter hoogte van het huis-  handvatten.
Het huis zit ongeveer in het midden van het blok.Het schaafijzer, de wig en de keerbeitel vormen met de zool een hoek van 45°.
Onderaan is er een dwarse smalle spleet waar het mes uit de zool  komt en de afgeschaafde houtkrullen worden verwijderd langs een groter wordende opening boven aan de balk.
De schaafbeitel wordt in het huis geklemd met een wig en om deze los te maken klopt men met een hamer  of een klopstuk ( een stuk hard hout). vooraan op het blok.
Bij het inbrengen van de schaafbeitel zorgt men ervoor dat het mes 1. evenwijdig zit met de zool 2. er niet te ver doorkomt 3. goed geblokkeerd zit met de spie.
Kleinere modellen zijn de korte reischaaf ( F. riflard) die ¼ tot 1/5 korter is dan de gewone.
Langere types zijn dan niet meer zo handig in het gebruik voor één persoon. Daarom draait men de schaaf om, zet men langs de ene zijde een steun of schraag en steunt men de andere zijde op de grond tegen een hindernis ( werkbank). Men duwt nu de plank over de schaafbeitelopening en men heeft… een voegbank.
De reischaaf wordt gebruikt om grotere, rechte planken / bodemstukken te bewerken. Het is een wat grover schaafwerk dat nadien met de kleinere blokschaaf gladder wordt gemaakt. Dan toch voorloper.

reischaaf  (HTISA)
long plane  (SALAMAN)
voorloper (MOT)
varlope (BRUNET – RENARD – MAIGNE – TARANSAUD)
riflard (MAIGNE –BRUNET –TARANSAUD)
rabot à galère (TARANSAUD)
roefelschaaf (VAN KEIRSBILCK)

Hoofdstuk 5.  HET AAN BANDEN LEGGEN

Nadat het vat is gedicht, zal de kuiper de buitenwand opkuisen en de slagbanden vervangen door de definitieve banden.
Voor het opkuisen van de buitenwand gebruikt hij het schraapstaal en de spaakschaaf.
De definitieve banden zijn van gegalvaniseerd plaatijzer en worden met de metaalschaar of –beitel op de gepaste lengte afgemeten. Daarna legt hij de uiteinden van de band op het aambeeld of het gaatjesblok om er met de doorslag  gaatjes in aan te brengen waarin de klinknagels worden aangebracht om de band aaneen te klinken. Met de dopper worden de koppen van de klinknagels rond gezet.
Om de kopband op zijn plaats te brengen gebruikt men een houten of metalen slagijzer.
Bandhaken moeten vermijden dat  de banden naar beneden glijden.

Houten hoepels zijn nog niet geheel uit de mode. De hoepelmaker heeft dan ook verschillende specifieke werktuigen ter zijner beschikking.
De repen waaruit de hoepels worden gemaakt,  worden gesneden en “gesnoeid” met het hoepelmes. De dikkere repen worden  op de snijbank gesplitst met een splijthout. Hun ronde vorm krijgen de hoepels op de plooibank en het hoepelrek. Met het lasmes wordt de las gesneden en de kleedkuil moet dienen om de lassen te binden.
De houten hoepels worden ook met houten slagwerk op het vat gebracht: kloppers van allerlei vorm en  formaat.

 

   
spaakschaaf

F. bastringue - wastringue
E. spokeshave
D. Schabhobel - Putzhobel

 

De spaakschaaf is een metalen schaafijzer om de buitenwand van het vat de "final touch" te geven  In ons taalgebied is het meest gebruikte woord spookschaaf. Dit is de directe klankvertaling uit het Engels nl. "spokeshave". Het Engelse spoke betekent echter spaak. De verwijzing naar het gebruik door de wagenmaker van dit gereedschap om de spaken rond te zetten, lijkt ons meer verantwoord: spaakschaaf. De Fransen zijn er niet beter aan toe met hun bastrengue, vastringue, wastringue.
Ofwel is de spaakschaaf volledig van metaal ( van verschillende grootte) of  alleen het middenstuk is van metaal dat dan langs beide kanten in dezelfde lijn eindigt op een angel met twee handvatten.
Het schaafijzer is rechthoekig en zit met bouten vast in een smal huis in het middenstuk. De zool van het schaafvlak is een weinig afgeschuind en de gleuf waarin het schaafijzer zit is zeer smal. Het is namelijk de bedoeling fijn schaafwerk af te leveren.  Men duwt de spaakschaaf steeds voor  zich uit.

Trekschaaf ( MOT )
Spookschaaf ( NIJHOF – VAN DER VLIS – MARCELIS – VAN KEYMEULEN )
Schab – oder Beziehhobel ( VOIGT )
Wastringe  ou Bastringe  ( TARANSAUD )
Spokeshave ( SALAMAN )

Hoofdstuk 6. EEN VAT MET GATEN

 

Het lijkt wat contradictoir dat men, na al de zorg die men heeft besteed om de dichtheid van het kuipwerk te verzekeren men achteraf  verschillende gaten voorziet: het bomgat, tapgat, zwikgat.
Bij het aanbrengen van deze openingen gebruikt men eerst klein boormateriaal: de booromslag met aangepaste houtboren: de fretboor, de avegaar, de zwikboor.
Om het gat te vergroten gebruikt men nadien de schulpboor,  het ruimijzer of de schrobzaag. De bomkroos kan men alleen gebruiken bij licht kuipwerk.
Met een kurkenplank  wordt de bom (met bomlap) in het bomgat geklopt. Soms dekt men met een bomblik ook het bomgat af. Dit blik brengt men aan met een bomstamper. De bom kan ook van metaal zijn en past in een  bomring. De bom wordt dan met een bomsleutel vastgezet.
De bom kan men verwijderen met een tapethamer of bomtrekker.
De steekbeitel moet dienen om de uitsteeksels van zwikpennen of spieën ( na het aanbrengen van een bodemklamp bv.) te verwijderen.
Om de inhoud van het vat na te meten steekt men de pegel door het bomgat tot aan de bodemrand.
Kentekens om de eigenaar van het vat, de inhoud en het soort drank aan te duiden, worden aangebracht  met een brandstempel of een ritsijzer.
   

avegaar

F. vrille à barrer
E. Twist Auger
D. Handspiralbohrer

De avegaar is het grotere model van de fretboor.
In het Frans is het duidelijker waarom men de avegaar gebruikt: vrille à barrer. Voor het boren van de gaten door de koppen van de duigen wanneer men bv. een klamp (dwarsplank) op de bodem (buitenkant) aanbrengt. Vandaar ook de grotere lengte van de avegaar, soms tot 1,25 m. De avegaar moet langer zijn dan de diameter van de bodem.
Voor het aanbrengen van de klampgaten staat de kuiper aan de tegenovergestelde kant en boort (voorzichtig – gemakkelijk splitten) van binnen naar buiten.
Naargelang de lengte van de stang is de houten kruk in verhouding, stevig en tamelijk breed (30 – 40 cm). De avegaar wordt met twee handen, draaiend en drukkend bediend. Na een halve draai moet men de greep op de kruk wisselen. Het recht boren met een lange avegaar is geen sinecure en de houtbewerker ( want niet alleen in de kuiperij wordt de avegaar gebruikt)  neemt soms zijn toevlucht  tot allerlei hulpmiddelen.
De stang eindigt meestal op een kleine schroef en het boorijzer kan lepel- of spiraalvormig zijn.
De Franse " tarière" is nog een zwaardere uitvoering van onze avegaar. Het boorstuk is S-vormig, waarbij de voorste snede het hout snijdt en de tweede snede het hout weghaalt.

Auger (KILBY)
Egger (VAN KEIRSBILCK)
Avegaar ( MOT)
Tarière (MAIGNE – BRUNET)
Barroir ( RENARD – TARANSAUD -BRUNET )
Vrille à Barrer (TARANSAUD – MAIGNE – FOUGEROUX DE BONDAROY – HIERET)

Hoofdstuk 7. SCHERP STAAN

Een goede ambachtsman gebruikt goed gereedschap.
Daarom onderhoudt hij het ook met zorg. Met slijpsteen, wetsteen en aantrekmes zal hij zijn snijdend alaam steeds scherp houden.
Met zaagvijl, zaagzetijzer en – tang onderhoudt hij zijn zagen.

 

WOORDENLIJST                                                           

1.

aambeeld

bigorne

avil (bick iron)

 Sperrhaken

2.

aantrekmes

affiloir

 -

-

3.

afkortzaag

scie à debiter

saw bow

Daubenabkürzsäge

4.

avegaar

vrille à barrer

twist auger

Handspiralbohrer

5.

bandhaak

crochet

-

Fasshakenstifte

6.

bandijzer

cercle en feuillard

-

-    

7.

beitel

burin

chisel

Hartmeissel

8.

biesijzer

tiretoire

hooping dog

Reifenzange

9.

blaaidissel

paroir

howel adze

Dexel (?)

10.

blaaimes

plane à passer

jigger

Gerbeisen

11.

blaaischaaf

jabloir-stockholm

chiv-fincher

Gerbhobel

12.

blokschaaf

rabot droit

downright –swift

Streifhobel

13.

bodemhouder

machine à tailler

heading board

Bodenstuhl

14.

bodemklopijzer

tape fond

knocker up

 -

15.

bodemophaler

tirette-tire fond

-

 -

16.

bodemschaaf

rabot de fond

-          

 -

17.

bodemtandschaaf

rabot de taillage

champer plane

Bramschnitthobel

18.

bodemtrekker

tire-fond

heading vice

Bodenzieher

19.

bolle boogschaaf

rabot cintré

stoup plane

Rundhobel

20.

bolle schaaf

rabot ronde

plane spout

 -

21.

bomkroos

brasseur

craw saw

Bohr säge

22.

bomtrekker

tire-bonde

bung extractor

Spundzieher

23.

boogspanzaag

scie à chantourner

bow saw

Schweifsäge

24.

booromslag

villebrequin

brace

Bohrwinde

25.

brandstempel

marqueur à feu

branding iron

Brennstempel

26.

deuvel

goujon

dowel

Dübel Verbandstifte

27.

deuvelijzer

goujonnoir

dowel cutter

Dübeleisen

28.

dissel

asse

adze

Dächsel

29.

doorslag

poinçoin

hoop punch

Durchschlag

30.

dopper

bouterolle

rivet mould

Nietenzieher

31.

drijfhamer

masse-marteau

hammer

Schlaghammer

32.

drijver

chasse

hoop driver

Treibholz

33.

dweilstok

vadrouille

-

Lumpen  am Stock

34.

fatsoenmal

clef de gabarit

gauge stave

Bindmodel